▤Emmie & Sebas en de Danse Macabre

Hoofdstuk 5

De man in het oude uniform

Emmie draaide zich om, en haar neus kwam bijna tegen een rij doffe knopen.

Ze moest ver omhoogkijken om de rest te zien. Wolfaert was nog langer dan bij het mausoleum, een vlaggenstok in een jas die honderd jaar te oud was. Het koperen naamkaartje hing vlak boven haar ogen, en zijn gezicht was smal en grijs, met diepe groeven naast zijn mond.

Boos keek hij niet, eerder moe, zoals papa achter het stuur na een lange dag in het park. Zijn hakken tikten zacht op de planken, op en neer, zonder ophouden.

"Dat blad," zei hij.

Zijn stem was laag en schor, de stem van iemand die in lange tijd niets had gezegd. Hij stak zijn hand uit, met de palm naar boven. "Dat is niet van jullie."

Sebas schoot hijgend naast haar, nog wippend van het sprinten. Zijn hand ging naar zijn jaszak, waar het opgevouwen muziekblad zat, en bleef er plat overheen liggen.

Deze man had bij het mausoleum naar hen gestaard en was voor het katje teruggedeinsd. Hoe lang had hij hier al in het donker gestaan?

Wolfaert lette niet op Emmie. Zijn ogen bleven op de zak van Sebas.

"Jullie hadden niet wakker moeten worden," zei hij zacht. Het klonk meer tegen zichzelf dan tegen hen.

"Wakker?" Sebas trok zijn wenkbrauwen op. "Wíj zijn juist de enigen die wakker zijn!"

Wolfaert gaf geen antwoord. Hij zette een stap naar voren, langzaam, met zijn hand nog steeds open, en de vloer kraakte onder zijn schoen.

In het ronde kamertje onder de abdij waren Emmies benen blijven staan toen de schaduw kwam. Ze hadden gewoon geweigerd.

Nu niet.

"Rennen!" riep ze.

Ze greep Sebas bij zijn mouw en schoot langs de toonbank, zo dicht dat de lamp met de glazen kap begon te wiebelen. Achter haar rinkelde iets, maar ze draaide zich niet om. De lage groene deur stond nog open, en ze vlogen erdoor, het plein op en de mist in.

Achter hen kraakte de vloer van het Kabinet nog twee keer. Daarna klonken er stappen op de stenen.


Het pad liep omlaag, weg van de abdij, tussen twee rijen struiken door. Onderaan lag de kruidentuin, achter een muurtje dat maar tot Emmies knieën kwam. Ze klauterde eroverheen zonder af te remmen, en Sebas sprong er in één keer overheen.

Vanochtend hadden ze hier nog in de zon gelopen. Nu lagen de bedden er grijs en verwilderd bij, en de salie was zo hoog over zijn eigen bordje gegroeid dat je de naam moest raden. Het rook naar munt en natte aarde, en ergens verderop naar iets wat veel te lang achter in de koelkast had gelegen.

Achter hen knerpte het grind. Wolfaert rende niet, maar zijn lange, rustige stappen werden nooit trager. Ze deden Emmie denken aan de metronoom bij blokfluitles, die gewoon doortikt als jij allang de draad kwijt bent.

Boven de bomen stak de oude toren uit, zwart en scheef tegen de wolken.

Bong.

De klok begon te slaan, en Emmie telde hardop mee. "Een. Twee. Drie." Haar adem stootte de woorden eruit, tussen de stappen door. "Vier. Vijf. Zes."

"Zeven," hijgde Sebas naast haar. Hij telde nooit mee, maar nu wel. "Acht. Negen."

"Tien. Elf." Ze sprongen over een bed vol brandnetels. "Twaalf."

Alweer twaalf. In het Kabinet had ze stil meegeteld, en daar waren het er ook twaalf geweest.

Boven de toren trok de mist even open, en er viel maanlicht op de wijzerplaat. Al rennend zag Emmie de grote wijzer een klein stukje voorbij de twaalf kruipen. Eén minuut, misschien twee.

Klak.

Het was zo hard dat ze het tot in de tuin hoorde. De wijzer was teruggesprongen en stond weer recht omhoog, naast de kleine. Zo hadden de wijzers ook gestaan toen ze uit de spinnenwebben kwamen.

Net als die 00:00 op de telefoon in de kapel, dacht Emmie, en dat muziekje dat steeds opnieuw begon. In haar hoofd zei papa's stem, net zo blij als in de wachtrij: Twaalf tonen, dat is middernacht!

Nu klopte het.

"Sebas." Ze gaf hem een por, zonder in te houden. "Het is een loop. Een lus, zoals in een game."

"Een wat?"

"Net een level dat steeds opnieuw begint. De muziek, de klok, alles gaat gewoon weer van voren af aan." Ze slikte. "Het wordt nooit één uur."

Om één uur bij de poffertjes, had mama gezegd. Allemaal.

Sebas rende een stukje zwijgend naast haar, met een diepe rimpel boven zijn neus.

"Dan moeten we het level uitspelen," zei hij.


Achter hen was het knerpen opgehouden. Misschien liep Wolfaert nu over het gras, of had hij een ander pad genomen. Emmie luisterde zo goed als ze kon, maar ze hoorde hem niet meer.

Ze draafden langzamer verder tussen de bedden door, en daarna hoorde ze muziek: het huppelende stukje uit de kapel, zachter dan daar en verder weg.

Uit de mist kwamen twee mensen aandansen.

Ze draaiden langzaam rond tussen de salie en de munt, met kleine, zachte passen. Het was een wals. Mama had haar hoofd op papa's schouder gelegd, en ze glimlachten allebei met hun ogen half dicht. Papa hield mama's hand sierlijk omhoog, met zijn pink een klein beetje uitgestoken.

Papa danste, in een kruidentuin, midden in de nacht.

"Hoe komen die híér?" fluisterde Sebas. "De kapel is daarboven."

Emmie wist het niet. De voeten van papa en mama raakten het grind bijna niet, en ze dreven met de muziek mee, als blaadjes op een beek.

Ze ging naast mama lopen. Even maar. Ze stak haar hand uit en raakte mama's mouw aan, en die was warm, zo warm als altijd. Mama neuriede door, met haar blik langs Emmie heen, naar iets wat er niet was.

Papa's lippen bewogen. Emmie boog zich al lopend naar hem toe.

"…en dan…" mompelde papa. "…poffertjes… met dubbel suiker…"

Sebas proestte. Emmie moest ook lachen, maar halverwege klonk het niet meer helemaal als lachen.

De muziek draaide verder, en papa en mama draaiden mee. Hun passen namen hen mee over de bedden, steeds dieper de mist in. Eerst zag Emmie hun ruggen nog, daarna alleen papa's uitgestoken pink, en daarna niets.

Terwijl ze verder liep, veegde Emmie met haar mouw over haar ogen.

Sebas zei niets. Hij pakte haar hand en liet hem niet meer los.


Het grind knerpte weer, ergens achter hen. Emmie trok Sebas naar links, tussen twee hoge bedden door, weg van het geluid.

Daar kwam Wolfaert uit de mist. Vóór hen.

Hij was om de bedden heen gelopen, zonder dat ze hem hadden gehoord. Zijn lange arm schoot naar voren, en zijn knokige vingers streken langs de jas van Sebas, vlak bij de zak.

Sebas rukte zich los. Emmie sleurde hem om het bed heen, de andere kant op, en Wolfaert kwam erachteraan. Daar renden ze, in een rondje om een bed met dorre stengels. Wolfaert liep aan de overkant mee, met zijn hand nog uitgestoken, en hij zei niets. Zijn ogen waren nog steeds moe. Dat maakte het erger.

Toen zakte de mist opzij.

Alle slierten bogen tegelijk dezelfde kant op, als gras waar een hand overheen strijkt. Er stond geen zuchtje wind. Daarna kwam het gebrom, laag en zwaar tussen de kruidenbedden door, zo diep dat Emmie het in haar kiezen voelde.

Ze zaten ertussen.

Haar eerste gedachte was het muurtje: erachter duiken, plat op de grond, tot alles voorbij was. Haar tweede gedachte kwam er meteen achteraan, en die was veel erger. Verstoppen was stilstaan.

"Blijf lopen," fluisterde ze. "Rondjes. Wat dan ook."

Ze doken het dikste stuk mist in, waar de stengels tot boven hun schouders kwamen, en draaiden daar een trage cirkel. Wolfaert was nu alleen nog een lange schaduw, een paar bedden verderop. Zijn hoofd ging zoekend heen en weer.

Sebas keek naar beneden. In het bed naast hen lag een kool, half in de aarde. Hij was zo groot als een voetbal, bruin en slap, en er hing een lucht omheen waar je ogen van gingen tranen.

Sebas keek naar de kool, daarna naar de tuinbank aan de overkant van de tuin, en daarna weer naar de kool.

Emmie kende die blik. "Sebas, nee..."

Maar hij had hem al te pakken. Hij nam twee passen aanloop, gooide de kool omhoog en raakte hem in de lucht, vol op zijn wreef. Een klodder bleef aan zijn schoen hangen. "Bah," fluisterde hij.

De kool zeilde hoog over de bedden en door de mist, in een boog waar elke trainer stil van zou worden. Aan de overkant knalde hij met een natte klets tegen de leuning van de tuinbank, en er vlogen bruine blaadjes in het rond.

"Lat!" zei Sebas. Niet hard, maar hij zei het wel.

De lange schaduw draaide naar het geluid en boog af, naar de bank toe.

Ondertussen dreef het gebrom weg, de andere kant op, en langzaam viel de mist terug op zijn plek. Kwam dat door de kool? Emmie hoopte het, maar ze wist het niet.

Wolfaert liep niet rechtstreeks naar de bank. Halverwege, waar de mist nog scheef hing, maakte hij een grote boog. Hij liep er wijd omheen, zoals je om een hond heen loopt waarvan je niet weet of hij bijt.

"Kom," fluisterde Sebas, en nu was hij het die trok.

Ze schoten de andere kant op, langs de kamille, en klauterden over het lage muurtje. Pas op een smal pad met hoge struiken aan weerskanten gingen ze langzamer lopen, zij aan zij. Emmies benen trilden nog. Sebas veegde zijn schoen af aan het gras en kon niet ophouden met grijnzen.

"Wreef," zei hij. "Volle wreef."

"Hij stonk," zei Emmie.

"Daarom vloog hij zo goed."

Emmie haalde haar notitieboekje tevoorschijn. Al lopend schreef ze, half achterstevoren om het pad in de gaten te houden: 12, nooit 1. Loop. Daaronder: Wolfaert, en een streep, en toch weer Wolfaert. De letters stonden scheef van het stappen.

Bij het opkijken viel haar blik op de jaszak van Sebas. Er stak een geel hoekje papier uit.

"Geef dat blad maar aan mij," zei ze. "Ik pas er beter op. Ik heb een notitieboekje, en jij verliest altijd alles, en bovendien ben ik..."

"EMMIEEHIEE!"

Sebas legde zijn hand plat over zijn zak. "Hij wil het van míj hebben," zei hij. "Dan moet hij eerst langs mij."

"Prima," mopperde Emmie. "Maar als het nat wordt, is het jouw schuld."

"Het wordt niet nat."

Hij duwde het gele hoekje terug in zijn zak en klopte er twee keer op.


Het katje stond midden op het pad, zwart tegen het grijze grind, met zijn staart recht omhoog. Emmie had het niet zien aankomen. Het wachtte tot ze dichtbij waren, draaide zich om en liep weg, zonder haast.

"Zie je wel," zei Sebas. "Hij wacht altijd op ons."

Achter een bocht, tussen donkere bomen, stond het stenen huisje dat ze vanochtend ook hadden gezien: het mausoleum van Joseph, met het bronzen beeld ervoor op zijn sokkel. Joseph keek trots over het pad, met zijn kin omhoog, net zo streng als op de oude foto.

Vanochtend had het katje op zijn schouder gezeten. Nu liep het onder hem door, zonder op te kijken, naar de deur van het mausoleum.

Die stond op een kier.

Het katje draaide zijn kop nog één keer naar hen om, en daarna glipte het naar binnen.

Langzaam liepen ze erop af. Uit het donker achter de kier kwam een zacht getik, twee keer kort.

Iemand daarbinnen sloeg de maat.