▤Emmie & Sebas en de Danse Macabre

Hoofdstuk 4

Het Kabinet der Vermisten

"Welk liedje, Em?" vroeg Sebas nog een keer.

"Niks." Emmie keek strak naar de verlichte ruitjes. "Laat maar."

Dat was raar. Emmie zei nooit "laat maar". Emmie legde altijd alles uit, ook als je er niet om had gevraagd, en het liefst twee keer.

De deur van het Kabinet was laag en donkergroen, met een koperen klink die glom in het lamplicht. Sebas liep er meteen op af, maar Emmie sprong voor hem en spreidde haar armen, zoals ze bij handbal een tegenstander blokte.

"Wij gaan daar niet naar binnen," zei ze.

"Waarom niet?"

"Omdat er iemand is. Omdat we niet weten wie. En omdat ik de oudste ben." Ze wipte van haar hakken op haar tenen, want ook hier op het plein durfde ze niet stil te staan. "Eerst kijken we door het raam. Dan maken we een plan. En daarna beslis ík of we..."

"EMMIEEHIEE!"

Het galmde over het lege plein en kaatste terug van de abdijmuur. Emmie kromp in elkaar en klemde haar notitieboekje tegen haar borst.

Achter de ruitjes begon iemand weer te fluiten, zacht en laag.

Emmie zei niets meer. Ze liet haar armen zakken, trok haar schouders op tot aan haar oren en liep met hem mee naar de deur, zonder hem aan te kijken.

De klink pakte ze niet. Dat deed Sebas.

De deur zwaaide piepend open, en het fluiten hield op. Zomaar, halverwege.

Het Kabinet was leeg. Op een houten toonbank stond één lamp met een glazen kap, en het vlammetje erin brandde rustig. Verder was er niemand te zien, en niets te horen.

Er hing een geur van oud hout en stof, en van koperpoets.

"Hallo?" riep Sebas. Niemand antwoordde.

Dus liep hij de zaal in met zijn armen hoog in de lucht, zoals hij bij een thuiswedstrijd het veld op kwam. Hij draaide langzaam rond en knikte naar de vitrines, één voor één, alsof die allemaal voor hem waren komen juichen.

Emmie kwam vlak achter hem aan naar binnen, met haar schouders nog steeds bij haar oren. "Wat doe je?" fluisterde ze.

"Opkomen," zei Sebas. "Bonuslevel."


Het Kabinet was groter dan het er van buiten uitzag. Langs de muren stonden hoge kasten met glazen deurtjes, en de vloer kraakte bij elke stap, soms ook tussen de stappen door. Achter elk glas lag een instrument op donkerrood fluweel, met een klein bordje in krullerige letters erbij.

Sebas bleef voor de eerste kast staan en kreeg meteen een duw in zijn rug.

"Niet stilstaan," siste Emmie.

O ja. In een museum stond je juist stil, want dat was zo'n beetje de bedoeling van een museum. Papa had hier vorig jaar niets anders gedaan dan stilstaan en lezen, stilstaan en lezen, tot mama hem aan zijn mouw naar buiten trok.

Dus deed Sebas het hinkelend. Hij hipte op één been langs de kasten, en Emmie draaide kleine rondjes achter hem aan, als een tol die nooit helemaal uitdraait.

Bij de viool zette hij papa's stem op, diep en plechtig, met een wijsvinger in de lucht. "Isidoor Lafleur. Tweede viool. Wist je dat..."

"Je bent net papa," zei Emmie.

"Dat was expres." Sebas grijnsde en wisselde van been. Bij de volgende kast tikte hij alleen nog even op het glas. "Hortense Delvaux. Cello." Bij de derde keek hij niet meer. "Na twee lees ik ze niet meer."

De viool had een barst van boven tot onder in zijn hals, en één snaar lag losgesprongen en opgekruld op het fluweel. Van de cello was alleen de strijkstok over, in twee stukken, keurig naast elkaar gelegd. En verderop stond een trom met een deuk in het vel, alsof er ooit iemand op was gaan zitten.

"Alles is kapot," zei Sebas.

"Of ze zijn zo achtergelaten," zei Emmie.

Zonder op te houden met draaien bleef ze naar de opgekrulde snaar kijken, bij elke ronde opnieuw. Daarna haalde ze haar notitieboekje tevoorschijn en schreef er iets in, nog steeds schuifelend. Sebas rekte zijn nek, maar ze hield het boekje zo schuin dat hij er niets van kon lezen.

"Wat schrijf je?"

"Die viool." Ze klapte het boekje dicht. "Ik denk dat ik die eerder gehoord heb. Ik vertel het als ik het zeker weet."

"Eerder gehoord? Waar dan?"

Maar Emmie draaide al verder.

Ver weg dreunde er iets door de muren heen, zwaar en traag: de torenklok.

Emmies lippen begonnen te bewegen. Sebas had het niet meteen door, want hij hinkte net om de trom heen.

"Em, als die trom nog werkt, mag ik er dan één keer op slaan? Eén keertje maar?"

"Nee," zei Emmie, en verder zei ze niets. Haar lippen bewogen mee met elke dreun, zonder geluid, tot de klok buiten was uitgedreund. Daarna stopten ze. Ze trok een gezicht als bij een som die niet uitkwam.

"Wat is er?" vroeg Sebas.

Ze schudde alleen haar hoofd.

Tussen de cello en de trom stond een kast die anders was dan de rest. Er lag niets in, alleen fluweel met een lange, smalle vorm erin gedrukt. Daar had jarenlang iets gelegen, en nu was het weg.

Op het bordje kon je maar één woord goed lezen: Hobo. De naam eronder was helemaal weggesleten, op de laatste twee letters na.

...rt.

Sebas hupte op twee benen tegelijk. "Rt," mompelde hij. "Rt. R, t..."

Hij landde met een klap.

"WOLFAERT! Em! Hij heeft die hobo gejat!"

"Er staan twee letters, Sebas," zei Emmie droog. "R en t."

"Precies," zei Sebas. "Wolfaert."

Emmie rolde met haar ogen. Maar ze sloeg toch een bladzijde om en schreef iets op, al wiebelend, met haar tong tussen haar tanden. Wat het was, kon Sebas niet zien.


In de hoek bij het raam stond iets wat niet achter glas zat: een berg glimmend koper op een houten standaard. Een buis kronkelde er in wijde rondjes omheen en eindigde in een toeter zo groot als een emmer.

Helicon, stond op het bordje.

"Een tuba die je om je nek hangt," zei Sebas eerbiedig.

"Niet aankomen," zei Emmie.

Maar hij had zijn lippen al op het mondstuk. Op zijn tenen stapte hij een klein rondje om de standaard heen, zo ver als het mondstuk het toeliet, en haalde zo diep adem als hij kon. Toen blies hij, en hij bleef stappen terwijl hij blies.

Het geluid kwam van diep uit de buis, laag en scheef en veel te hard, en het hield maar niet op. Het klonk als een olifant met buikpijn die ook nog verdrietig was. Alle ruitjes in het Kabinet rinkelden mee.

Daarna was het stil. Zonder stil te staan keken ze allebei met grote ogen naar de ramen. Ze hadden net enorm veel lawaai gemaakt, midden in een nacht vol dingen die je beter niet wakker kon maken. Maar buiten bleef de mist gewoon hangen, en er kwam niets.

Sebas balde zijn vuist en hield hem voor zijn mond, als een microfoon. "En het publiek," zei hij met zijn commentatorstem, "is weggelopen."

Emmie proestte het uit. Ze probeerde het in te houden, maar dat maakte het alleen maar erger, en even later sloeg ze dubbel, met tranen over haar wangen. Sebas moest zich aan de standaard vasthouden. Hun voeten schuifelden ondertussen vanzelf door over de krakende vloer.

"Olifant," hikte Emmie. "Met... buikpijn..."

"Dat was een goede noot," zei Sebas beledigd, en ze lagen weer dubbel.

Emmie veegde haar ogen droog. Naast de lege hobokast, half in de schaduw, stond een lessenaar die ze eerst niet hadden gezien. Er lag een vel muziek op, geel en gekreukeld aan de randen. Emmie boog zich eroverheen, wippend op haar tenen.

Het vel stond vol noten, zwarte bolletjes met vlaggetjes die op en neer over de lijnen huppelden. Maar de laatste maten waren weggekrast. Iemand had er met dikke inktstrepen zo hard doorheen gestreept dat het papier op één plek gescheurd was.

Bovenaan stond een woord in schuine letters, half uitgeveegd. Emmies vinger bleef erbij hangen. "Hob...," las ze. De rest was een vlek.

"Kun jij die noten lezen?" vroeg Sebas.

"Een beetje. Van blokfluit, op school." Haar vinger gleed langs de lijnen naar de scheur, en daar bleef hij liggen. "Kijk. Daar steekt er nog eentje onder uit."

Sebas boog zich naast haar, van zijn ene been op het andere. Aan de rand van de scheur, half onder het zwart, zat één klein bolletje. Het was de enige noot die het gekras net had gemist.

"Waarom zou je nou het eind van een liedje doorkrassen?" vroeg Emmie zacht.

Sebas wist het ook niet, maar hij wist wel wat je met zoiets moest doen. Hij pakte het vel, vouwde het twee keer dubbel en stopte het in zijn jaszak.

"Voor jouw boekje," zei hij.

"Sebas! Je mag niks meenemen uit een museum!"

"Er is hier niemand die het ziet."

Emmie keek over haar schouder naar de lege zaal, en ze beet op haar lip. "Niet kreuken dan."

Boven de lessenaar hing een bruine, gevlekte foto in een zwarte lijst. Er stonden mannen en vrouwen op in stijve, donkere kleren, en geen van allen lachte. In het midden stond een man met een smal gezicht, boze wenkbrauwen en een stokje in zijn hand.

Joseph, dacht Sebas. De dirigent.

Op zijn schouder zat een zwart katje, met zijn staart over Josephs kraag. Kleuren kon je op die oude foto niet zien, maar het ene oog was duidelijk lichter dan het andere.

"Dat is óns katje!" riep Sebas.

"Dat kan niet," zei Emmie. "Die foto is honderdvijftig jaar oud."

Ze schuifelden heen en weer voor de foto en zeiden niets meer.


Het begon met een tikje.

Sebas hoorde het eerst: een klein, helder tikje ergens links van hem, en daarna nog een. Hij draaide zich om.

In de kast van Hortense Delvaux tikten de twee stukken strijkstok tegen het glas. Tik. Tik-tik. Niemand raakte ze aan.

Het vel van de trom met de deuk ging op en neer. De losse snaar van de viool trilde op het fluweel. Diep in de helicon neuriede iets, laag en vriendelijk, en uit een kast verderop zongen snaren zachtjes mee.

Alles in het Kabinet bewoog. En alles bewoog op dezelfde tel.

Sebas kende dat ritme. Het was het huppelende stukje uit de kapel, het stukje dat steeds opnieuw begon. Tadadada-dam. Alleen klonk er geen melodie: je hoorde alleen de instrumenten zelf, die tikten en trilden en neurieden op hun plek.

Hij luisterde of hij het gebrom hoorde, dat zware dat je in je tanden voelde. Er was niets. Het was alleen dit: een orkest zonder muzikanten, dat meespeelde met een muziek die er niet was.

Zonder erbij na te denken tikte Sebas met zijn vingertop mee op het glas. Tik. Tik-tik.

Uit de kast verderop tikte de trom één keer terug. Bom.

"Zie je," fluisterde Sebas. "Hij wíl."

"Sebas." Emmie stond bij de lege hobokast en draaide langzaam om haar as. "Kom eens."

Hij hupte naar haar toe. Overal om hen heen tikte en trilde het, maar in deze kast lag het fluweel doodstil, met die lange, lege vorm erin.

"Alles speelt mee," zei Emmie. "Behalve de hobo. Als één instrument niet meedoet, mis je een stuk van het liedje. Dan zit er een gat in de muziek."

"Hij is er toch niet," zei Sebas. "Dan kan hij ook niet trillen?"

"Daarom juist."

Sebas luisterde nog een keer, op zijn tenen wippend, met zijn hoofd scheef. Tik, tik-tik, en het neuriën uit de helicon. Een gat hoorde hij niet, alleen een heleboel kapotte spullen die deden alsof ze een liedje speelden. Maar Emmie hoorde het wel, dat zag hij aan haar gezicht.

Ze schreef het op, snel en schuin en zonder stil te staan, en onderstreepte het twee keer.

Sebas keek naar de toonbank.

Het vlammetje in de lamp flakkerde. Het leunde even schuin naar de hoek bij de foto, waar het donker was, en sprong daarna terug.

Sebas draaide zich in één keer om. De zaal was leeg, en de kasten tikten gewoon door.

De vloer kraakte. Kraak. Even later weer: kraak. Rustig en regelmatig, als het tikken van een grote klok.

"Oud hout," zei Sebas hardop. Het klonk dunner dan hij bedoelde.


Emmie stond weer bij de foto, met haar neus bijna tegen het glas, en tuurde naar het katje op Josephs schouder. Haar voeten trappelden zachtjes door, in de maat van het tikken.

Sebas hinkte aan de andere kant van de zaal, bij de toonbank. Daarom zag hij het, en zij niet.

Naast de foto stond de hoogste kast van het hele Kabinet, met daarachter een hoek waar het lamplicht niet kwam. En in die hoek bewoog iets.

Eerst zag hij alleen een donkere mouw, dun gesleten bij de elleboog. Daarna een rij doffe knopen. Toen ving een koperen naamkaartje heel even het licht.

Er stond een man in de schaduw, lang en mager. Hij wiegde langzaam van zijn hakken naar zijn tenen, en weer terug. Kraak. Kraak.

Hij was er al die tijd.

Sebas rende. Hij sprintte tussen de kasten door, harder dan hij ooit op het veld had gerend. "EM—"

Een knokige hand kwam uit het donker naar voren.

Eén vinger tikte Emmie op haar schouder.

Wolfaert.