▤Emmie & Sebas en de Danse Macabre

Hoofdstuk 6

Het mausoleum

Tik-tik. Het kwam door de kier van de deur, zacht en precies, en na een korte stilte klonk het opnieuw.

Het mausoleum leek kleiner dan vanochtend, een stenen huisje met een puntdak en een ijzeren deur vol krullen. Op zijn sokkel keek de bronzen Joseph over hun hoofden heen het donker in, met die kin van hem omhoog.

Emmie pakte Sebas bij zijn capuchon. "We gaan terug," fluisterde ze. "Nu."

"Terug waarheen?" Sebas wipte op zijn tenen, voor de zekerheid. "Naar Wolfaert? Of naar die kool?"

"Naar de abdij, daar is tenminste licht. Ik ben de oudste, en ik zeg dat we hier niet..."

"EMMIEEHIEE!" riep Sebas.

Het galmde zo hard tegen de stenen dat ze allebei omkeken, maar het pad bleef leeg, en de mist bleef liggen waar hij lag.

Sebas wachtte niet op een antwoord. Hij duwde de deur met twee handen verder open en stapte naar binnen. Achter zich hoorde hij Emmie zuchten, en even later haar schoenen op de drempel.

Binnen rook het naar steen en naar bloemen die al heel lang verwelkt waren. Het was maar één ruimte, niet groter dan hun badkamer thuis. Hoog in de achtermuur zat een raampje van rood, groen en goudgeel glas, waardoor het maanlicht in gekleurde vlekken op de vloer viel. Op de vensterbank zat het katje, met zijn staart om zijn pootjes.

Midden in de ruimte stond een lessenaar van donker hout, en daarachter hing een man. Hij stond niet, hij hing, een handbreed boven de vloer, en Sebas kon de muur door hem heen zien. De man had een hoge kraag en een lange jas met twee punten aan de achterkant. In zijn hand hield hij een dun dirigeerstokje.

Op. Neer. Tik-tik op de lessenaar.

Sebas kende die beweging. In de kapel had de dirigent voor het orgel dezelfde maten gedirigeerd, steeds opnieuw, alleen was deze dirigent gemaakt van iets wat op mist leek.

"Joseph," fluisterde Emmie.

De ogen van de man draaiden naar hen toe, maar zijn armen gingen gewoon door.

"Sebas," siste Emmie. "We staan stil."

Huppelen kon altijd, maar Sebas wist iets beters. Toen het stokje opging, zette hij een stap naar voren. Bij het neergaan draaide hij een kwartslag, en op de twee tikken tikte hij met zijn hak op de stenen. Het was dansen op commando: je hoefde nergens over na te denken, je moest alleen naar het stokje kijken.

Emmie keek even naar hem en deed het toen na, eerst stijf en te laat, daarna precies op de tik.

Sebas hield zijn vuist voor zijn mond. "En dáár gaat Sebas," fluisterde hij erin. "Hij danst langs drie verdedigers!"


"Zo," zei de man. Zijn stem klonk hoog en krakerig, als een heel oude grammofoonplaat. "Eindelijk iemand die de maat kan houden."

Heel even ging zijn blik naar de vensterbank, waar het katje zat. Iets in zijn strenge gezicht werd zachter. Hij zei er niets over, en het stokje ging gewoon door.

"U bent Joseph Charlatan," zei Emmie, terwijl ze haar kwartslag draaide. "De dirigent."

"Dirigent van het beste orkest van heel Europa." Zijn kin ging nog een stukje hoger. "Mijn orkest wás het beste."

"Wás?" vroeg Sebas.

Het stokje bleef een fractie langer in de lucht hangen dan het hoorde. "Ís," zei Joseph streng. "Mijn orkest ís het beste. Het is alleen een beetje lastig te vinden."

"Iedereen zegt dat ze verdwenen zijn," zei Emmie. "In 1876."

"Verdwenen." Joseph zei het woord zoals oma Ans 'spruitjes' zei. "Ze zijn niet verdwenen, jongedame. Ze zitten in de muziek." Tik-tik. "Al honderdvijftig jaar spelen ze hetzelfde stuk, in de kapel waar u vandaan komt, en ze komen nooit één maat verder."

Sebas dacht aan het huppelende stukje dat steeds opnieuw begon. "Bedoelt u dat liedje dat de hele tijd..."

"Dat líédje," zei Joseph beledigd, "is de Danse Macabre."

Emmie hield haar hoofd scheef. Ze bleef op de maat stappen, maar ze luisterde naar iets wat Sebas niet hoorde. Hij spitste zijn oren en hoorde alleen het stokje op de lessenaar, zijn eigen hakken en verder niks.

"Een viool," zei Emmie zacht. "Heel ver weg, met een valse snaar. Die heb ik vanochtend in de wachtrij gehoord. Ik dacht dat het die kapotte viool uit het Kabinet was, maar die is het niet." Ze slikte. "Die riep mij."

"Mijn solo-viool." Voor het eerst klonk er iets warms in Josephs stem. "Die riep iedereen, maar u was de eerste die luisterde."

Sebas hoorde nog steeds niks. Hij vond dat niet eerlijk, maar dit leek hem niet het moment om erover te beginnen.

"Maar u bent toch ook in de kapel?" vroeg Emmie. "Voor het orgel?"

"Mijn lijf staat in de kapel en dirigeert." Tik-tik. "Hier, bij mijn eigen graf, mag mijn stem nog praten."

"Hoe houdt het dan op?" vroeg Sebas. "Elk liedje houdt toch een keer op."

Het stokje ging zo fel neer dat Sebas bijna de verkeerde kant op draaide. "Aan het eind kraait de haan," zei Joseph. "Dan breekt de ochtend aan, en de doden gaan terug naar hun graf. Die haan is de laatste noot."

De laatste noot. Sebas' hand ging naar zijn jaszak, waar het gele blad uit het Kabinet nog zat. Zonder uit de maat te raken trok hij het eruit en vouwde het open, half achterstevoren, zodat Emmie het kon zien.

Ze boog zich er al draaiend overheen, in een goudgele vlek licht van het raampje. Haar vinger tikte op "Hob..." bovenaan en ging toen omlaag, naar de weggekraste maten. Haar ogen schoten omhoog. "Het is van de hobo. En het eind is eraf."

Joseph staarde naar het blad. Zijn arm stokte bijna, en het stokje trilde boven zijn hoofd. "Waar hebben jullie dát vandaan?"

"Uit het Kabinet," zei Sebas. "Het lag gewoon op een lessenaar."

Het stokje ging door, maar hij zweeg een hele maat lang. "Bewaar het goed," zei hij toen.

Sebas vouwde het blad weer op en stopte het terug. Ondertussen zag hij papa ineens voor zich in de wachtrij, met zijn armen wijd en zijn ogen glimmend. De haan aan het eind is de hobo! En iedereen had gezucht.

"Dus papa had gelijk?!"

"Dat zeggen we nooit tegen hem," zei Emmie.

Sebas zette zijn hak weer neer, op de tik. "Wat ís een hobo eigenlijk?"

"Een houten fluit met een dubbel rietje," zei Joseph vol minachting, "die klinkt als een eend met liefdesverdriet."

Emmie en Sebas keken elkaar aan. "Maar waarom heeft hij dan niet gespeeld?" vroeg Emmie.

Het tikken werd harder. "Omdat de hoboïst ervandoor ging," zei Joseph. "Het Onnoembare kwam de kapel in, vlak voor de laatste noot, en hij rende weg." Zijn kin bleef hoog, maar zijn blik zakte even naar de vloer. "Zijn naam spreek ik niet meer uit. Zijn hobo liet hij vallen toen hij vluchtte. Ik hoorde hem kletteren, hoog, op stenen."

Sebas wilde vragen waar dan, maar Emmie was hem voor. "En dat ding met die staart? Wat gebeurt er als het je vindt?"

Het stokje ging langzamer, op en neer, en de tikken kwamen met een gat ertussen. "Wie stilstaat, wordt gevonden," zei Joseph. "Dat weet u al, zie ik. En wie gevonden wordt, gaat de muziek in, net als mijn orkest." Hij keek hen om de beurt aan. "Dan word je een toon die nooit meer ophoudt."

Niemand zei iets. Sebas dacht aan het graf op het kerkhof, waar hij gehurkt had zonder na te denken, en zette zijn volgende stap extra stevig neer.

"En de graven op het kerkhof?" vroeg Emmie. "En die skeletten?"

"In die graven heeft nooit iemand gelegen. Het zijn graven voor wie verdwenen is." Het stokje wees even naar buiten. "De skeletten zijn de dansers uit het oude gedicht. Ze dansen tot de haan kraait."

Sebas dacht na, terwijl hij stapte en draaide en tikte. Eigenlijk was het simpel: er moest één noot klinken, en dan was het klaar. "Kan iemand die noot niet gewoon fluiten?"

"Fluiten telt niet," zei Joseph. "Zingen telt ook niet. Het moet de hobo zijn."

"Maar je zei net dat het een fluit is!"

Emmie keek opzij naar Sebas, maar Joseph leek het niet te merken. "Een hobo fluit niet, jongeheer." Tik-tik. "Een hobo zíngt."

"Oké," zei Sebas. "Dan speelt iemand anders die hobo."

Josephs arm haperde. Het stokje bleef boven zijn hoofd hangen en kwam niet meer naar beneden. Zijn mond ging open, en heel even zag hij er niet trots uit, alleen maar oud. "Dan..." zei hij. "Dan eindigt de dans."

"Dan doen wíj het," zei Sebas.

"Wíj?" Emmie raakte bijna uit de maat. "Sebas, wij kunnen geen hobo spelen."

"Nog niet."

Maar Emmie luisterde alweer naar iets anders, en haar gezicht trok wit weg. "De viool hapert," zei ze. "Hij speelt steeds dezelfde toon, als een game die vastloopt. Als de muziek hapert, komt hij kijken!" Ze sloeg met haar vlakke hand op de lessenaar, precies waar de tik had moeten vallen. "Niet stoppen! Blijf dirigeren!"

Joseph knipperde. Het stokje schoot weer omlaag, en de twee tikken kwamen hard en snel achter elkaar.

Maar op de vensterbank was het katje weg.


Het stokje bleef natrillen na elke tik, ook toen Joseph al lang weer in de maat was. Op de vloer begonnen de gekleurde vlekken te bibberen, en daarna kwam het gebrom. Het was laag en zwaar, en het kwam niet van één kant, maar van overal tegelijk: uit de muren, uit de vloer, uit het hout van de lessenaar. Er dwarrelde stof van het plafond.

Door de kier van de deur gleed iets voorbij, zwart en lang, en het hield niet op. Het bleef maar voorbijglijden, als een trein waarvan je de laatste wagon nooit ziet.

"Een staart," fluisterde Emmie.

Sebas draaide zijn kwartslag en keek naar de andere kant. Langs de onderrand van het gekleurde raampje schoof ook iets zwarts, dezelfde kant op. Het was dezelfde staart, en hij lag om het hele mausoleum heen.

"Doorgaan," zei Joseph. Zijn stem klonk helemaal niet krakerig meer. "Op mijn maat. Kijk naar mij en nergens anders naar."

Sebas probeerde het wel, maar het raampje werd donker, alsof er iets heel groots voor was gaan zitten. Achter het rode en groene glas gingen twee lichten aan.

Het waren ogen, zo groot als soepborden.

Door het gekleurde glas zag Sebas niet welke kleur ze hadden. Ze keken niet naar Joseph en ook niet naar de lessenaar, maar zochten langzaam de vloer af, van de ene hoek naar de andere. Zijn benen trilden zo hard dat zijn knieën tegen elkaar tikten, en toch bleven ze op de maat. Naast hem deed Emmie hetzelfde, met haar lippen op elkaar geperst en haar blik strak op het stokje.

Het gebrom zakte in Sebas' borst, zo zwaar dat zijn ribben ervan zoemden. Ergens buiten kraste iets langs de stenen.

"Sneller," zei Joseph, en het stokje ging twee keer zo snel als eerst. "Naar de deur, in de maat! Eén-twee, één-twee!"

Op, stap. Neer, draai. Tik-tik, en weer een stap dichter bij de deur. Emmies hand kwam in die van Sebas, klam en stevig. Achter het raampje speurden de ogen de vloer rond de lessenaar af, waar het stokje had gehaperd, en schoten telkens langs hen heen.

En... begon de commentator in zijn hoofd. Verder kwam hij niet.

Sebas duwde de deur met zijn schouder open, precies op de tel, en ze dansten de drempel over, het pad op. Vlak voor hun voeten schoof de staart zoekend over het grind, dik als een boomstam. Op de volgende tik sprongen ze er samen overheen.

"Eén-twee!" riep Josephs stem achter hen. "Eén-twee!"

Ze dansten verder over het pad, weg van het mausoleum. Het getik werd zachter achter hen, en nog zachter, tot ze het niet meer konden horen.


Op een open plek tussen de bomen bleven ze rondjes draaien, hand in hand, omdat stilstaan geen optie was. Sebas hijgde, en Emmie hijgde nog harder. De maan was achter de wolken vandaan gekomen, en het grind lag zilvergrijs voor hun voeten.

Langzaam trok de staart zich terug. Hij gleed van het mausoleum af en zakte weg in de mist tussen de bomen, tot er niets meer van over was. Het gebrom werd zachter, maar de ogen bleven.

Ze hingen hoog in het donker achter het mausoleum, hun kant op. Zoekend schoven ze over het pad, over het grind en over hen heen, zonder hen te vinden. Nu, zonder gekleurd glas ertussen, scheen het maanlicht er recht in.

Eén geel. Eén blauw.

Sebas draaide gewoon door. Nee. Hij is lief. Hij ís lief.

Emmies vingers klemden zich om de zijne. Ze wees met haar kin naar de ogen, en toen langzaam naar beneden, naar de rand van het pad.

En daaronder zat het katje.