Hoofdstuk 3
Wie stilstaat
Het gebrom kroop uit de zijgang de grote gang in, laag en traag. Emmie voelde het eerder in haar borst dan in haar oren.
"Weg hier," fluisterde ze.
Ze renden weer, dieper de gang in. De stenen werden ruwer en het plafond zakte zo ver dat Emmie moest bukken, terwijl Sebas er gewoon rechtop onderdoor holde. Ver voor hen hing een flauwe grijze vlek licht, die maar niet dichterbij wilde komen.
Achter hen zwol het gebrom aan en zakte weer weg, steeds op dezelfde plek: waar zij net nog tegen de muur hadden geleund. Het kwam niet achter hen aan, maar tastte daar rond in het donker. Daarna gleed het terug de zijgang in.
De kant van de kapel ging het niet op.
Een eindje verder splitste de gang zich in tweeën.
"Links," zei Emmie. "Nee, rechts."
In de rechtergang werd het grijze licht sterker, en de muren weken uiteen. Ze kwamen in een rond kamertje met een gewelfd plafond. Er stond niets behalve een stoel met drie poten, die al honderd jaar op een vierde leek te wachten.
Sebas wilde meteen door naar de overkant.
"Niet zo snel," zei Emmie. "Blijf achter mij."
"Je bent geen juf," hijgde Sebas.
"Blijf nou gewoon achter mij."
"Ja, juf."
Dus deed hij het omgekeerde. Hij begon om haar heen te huppelen, met zijn knieën hoog en zijn ellebogen wapperend. Het dansje was zo idioot dat het bijna knap werd. Ondertussen neuriede hij het huppelende stukje muziek mee, dat nog altijd in de verte klonk.
"Tadadada-dam, tadadada-dam..."
Emmie zette haar handen in haar zij en stond stil. "Sebas, hou óp."
"Tadadada-DAM."
Toen was het gebrom terug, nu niet ver weg in de stenen, maar in het kamertje zelf. Het werd zo zwaar dat haar tanden ervan zoemden.
De schaduw kwam niet door de gang. Hij sijpelde tussen de stenen van het gewelf door, als inkt in een glas water, en zakte langzaam naar beneden. De lucht rook naar natte vacht. Hij zocht, heen en weer, als een hand die in het donker naar een lichtknopje tast.
Emmie wilde rennen. Haar voeten deden niets.
De schaduw schoof vlak langs Sebas, zo dicht dat de punt van zijn capuchon opwipte. Sebas huppelde door. Zijn mond hing open van schrik, maar hij huppelde. De schaduw keek niet eens naar hem.
Toen hield het zoeken op. De schaduw boog zich over Emmie heen, als een donker dak. Het gebrom werd dieper. Bijna tevreden.
"Em!" Sebas greep allebei haar handen. "Dansen! Doe mee!"
Hij sleurde haar mee in zijn dansje, rond en rond, hop en hop. Eerst stommelden haar benen er houterig achteraan, maar daarna gingen ze vanzelf. Ze moest bijna lachen, en tegelijk klapperden haar tanden.
De schaduw tastte over haar heen en zocht, maar vond niets meer. Het gebrom draaide af, terug de gang in, tot er alleen nog een zacht zoemen in de stenen zat. Toen was ook dat verdwenen.
Stoppen met huppelen durfde Emmie pas daarna. Stilstaan deed ze niet: zonder erbij na te denken wiebelde ze van haar ene voet op de andere.
"Sebas," zei ze. "In de kapel stond jij stil. Toen zag hij je. En ik liep heen en weer onder de bank, en mij zag hij niet. In de gang renden we, en toen zag hij ons ook niet. En net stond ík stil."
Sebas keek haar aan.
"Hij ziet je alleen als je stilstaat," zei Emmie.
Ze dacht aan de kapel. Aan papa, die wiegde met zijn ogen half dicht, en aan mama, die neuriede. Aan de koorbanken, die zacht op en neer deinden. Aan de jongen met de beugel, die heen en weer ging. Niemand daar stond stil. Niet één.
"Papa en mama dansen," zei ze. "Dus die ziet hij ook niet."
Haar ogen prikten, en er ontsnapte een gek klein lachje uit haar keel.
"Dat hij gedanst heeft," zei Sebas, "ga ik op elk feest tegen hem zeggen."
"Doe maar," zei Emmie. "Gelukkig maar dat hij danst."
Sebas grijnsde. "Dus ik heb ons gered met huppelen."
"Per ongeluk."
"Telt nog steeds." Hij hield een onzichtbare microfoon voor zijn mond. "En Sebas redt de wedstrijd met de huppeldans! Het publiek huppelt mee!"
Emmie zuchtte. Maar ze glimlachte er wel bij.
Aan de overkant van het kamertje, waar de gang verderging, zat het katje in de grijze vlek licht. Het zwiepte één keer met zijn staart en wachtte.
Emmie had haar plan al klaar. Het was vanzelf in elkaar gevallen, zoals een knutselwerkje waarbij je opeens ziet waar het laatste stukje moet.
"Papa en mama zijn veilig," zei ze. "Dus nu zoeken we een uitgang en halen we hulp. Om één uur staat iedereen bij de poffertjes."
"De kat wil daarheen," zei Sebas, en hij wees.
"Een kat likt ook zijn eigen billen," zei Emmie. "Daarom doe ik hem nog niet na."
Sebas proestte het uit. Toen kneep hij zijn ogen tot spleetjes. "De kat weet de weg."
Emmie zette haar grote-zus-stem op, de stem die altijd werkte als Sebas zijn voetbalschoenen weer midden in de gang had laten staan. "We zoeken een uitgang, en daarmee uit."
"EMMIEEHIEE!"
Ze ruzieden zo fel dat ze tegen elkaar op botsten.
"Kijk uit!"
"Kijk zelf uit!"
Ieder aan een kant van het kamertje vonden ze hun ritme terug. Na een tijdje merkte Emmie dat ze allebei even snel heen en weer stapten, op de tel van het verre muziekje. Ze zette meteen een extra stapje om het te verpesten.
Sebas deed precies hetzelfde. Op dezelfde tel.
"En wat zeg je dan, bij de poffertjes?" vroeg hij. "Dat papa aan het dansen is? Midden in de kapel?" Hij liet zijn hoofd scheef zakken, trok een slaperige glimlach en wiegde heen en weer, zo echt dat Emmie op haar lip moest bijten. "Wie gaat dat nou geloven?"
Emmie deed haar mond open en klapte hem weer dicht. Ze zag het al voor zich. Oom Yorick zou een droge grap maken en tante Sanne zou er een foto van willen. Oma Ans zou haar regenjas aantrekken, voor de zekerheid. Niemand zou meegaan.
Het katje stond op, rekte zich uit en liep de gang in, met zijn staart recht omhoog.
"Ik ga alleen mee," mopperde Emmie, "omdat iemand op jou moet letten."
Sebas grijnsde en huppelde erachteraan.
De gang liep omhoog, en het katje trippelde voor hen uit tot aan een lage stenen doorgang. Daarachter was het buiten. Emmie rook het al: natte bladeren en bos.
Maar de doorgang hing vol spinnenwebben.
Het waren er geen paar, maar tientallen, laag op laag, grijs en dik als vitrage. Er zaten dode blaadjes in vastgeplakt. Ergens in het midden trilde één draadje.
Het katje dook eronderdoor, vlak boven de vloer, en was weg.
Emmies hele lijf wilde achteruit. Ze keek naar dat ene trillende draadje, en toen naar Sebas.
"Jij veegt," zei ze. "Ik doe mijn ogen dicht."
Haar stem trilde maar een klein beetje.
Sebas zei niks. Geen grapje, geen plagerig woord. Hij raapte een dorre tak op en begon te vegen, rustig en netjes, van boven naar beneden. De webben rekten uit en knapten met zachte tikjes, en ze bleven aan de tak plakken als suikerspin. Toen het gat breed genoeg was voor twee, slingerde hij de tak met webben en al zo ver mogelijk weg.
"Hand op mijn schouder," zei hij. "Ik zeg wanneer."
Emmie kneep haar ogen dicht en legde haar hand op zijn schouder. Iets streek zacht langs haar mouw, en ze hield haar adem in. Ze dacht aan tosti's, aan kaas die aan alle kanten uit de randen druipt.
"Nu," zei Sebas.
Ze deed haar ogen open en stond buiten.
Buiten was het nacht.
Toen ze de kapel in gingen, was het ochtend geweest, met een bleek oktoberzonnetje boven het Huyverwoud. Nu hing er mist tussen de bomen, zo laag en dik dat hun benen tot de knieën verdwenen. Achter de wolken hing iets wat op een maan leek, wazig en zonder randen. Er was niemand te zien.
Even vroeg Emmie zich af of het bij Merijn en Pip, boven aan de eerste helling, nu ook nacht was. Ze keek gauw naar iets anders.
Vlak naast hen rees de oude toren van de abdij op, zwart en scheef tegen de lucht. Emmie keek langs de verweerde muur omhoog, naar de wijzerplaat van de torenklok. Allebei de wijzers stonden recht omhoog. Ze zag het, maar ze zei er niets over.
Net onder de wijzerplaat zat een smal raam met een stenen richel. Daarin zat het katje, en het keek op hen neer.
Emmie knipperde.
Het raam was leeg. Het katje stond beneden op het pad, vlak voor hun voeten, alsof het daar al de hele tijd had gestaan.
"Hoe..." begon Emmie.
"Hij is gewoon snel," zei Sebas.
Niemand was zó snel. Die toren was minstens vijf verdiepingen hoog, en aan de buitenkant zat geen trap. Niet eens een regenpijp.
Het katje liep voor hen uit, een smal zijpad op. Het grind knerpte veel te hard in al die stilte, en bij elke stap kromp Emmie een beetje in elkaar.
Rechts van hen, achter een rij verwilderde struiken, lag het kerkhof. De grafstenen stonden niet meer recht. Ze waren opzij geschoven, van binnenuit, leek het. Eén steen stond keurig schuin tegen een boom, alsof de bewoner bij het weggaan nog beleefd had willen zijn. Naast elk graf lag een hoop losgewoelde aarde.
De graven gaapten open. En ze waren leeg.
Van ver weg, ergens tussen de bomen, klonk zacht getik: houten tonen, hoog en droog, die over elkaar heen rammelden.
De xylofoon klinkt als rammelende botten, had papa gezegd. Dat is mijn lievelingsstuk.
Ver weg in de mist draaide iets wits in het rond, in de maat van het getik. Ernaast draaide nog iets, en daarnaast nog iets.
Emmie keek naar haar schoenen. Sebas keek juist wel.
"Em," fluisterde hij. "Ze dansen echt. Er is er eentje die met zijn schedel meeknikt."
"Niet vertellen."
"En eentje loopt zijn arm te zoeken."
"Sebas!"
Hij grinnikte en ging over op marcheren, als een fanfare in zijn eentje. Hij trommelde op zijn buik en blies op een onzichtbare trompet. "Poem, poem, tsjing!"
Bij het laatste graf liep het zijpad vlak langs de rand. Daar hurkte Sebas neer en tuurde in het donkere gat.
"Als ik erin ga staan," vroeg hij, "kom ik dan nog boven de rand uit?"
"Sebas, doorlopen."
Hij hoorde haar niet. Hij zat doodstil, met zijn tong uit zijn mondhoek, zoals hij ook naar een mierenhoop kon kijken. Dat je niet stil mocht staan, was hij gewoon vergeten.
Toen haperde het getik.
Eén tel, twee tellen: de xylofoon was de draad kwijt. Boven het kerkhof boog de mist opzij, overal tegelijk dezelfde kant op. Diep in Emmies kiezen begon iets te zoemen.
Het pad voor hen was leeg. Het katje was weg.
Heel even wilden Emmies benen hetzelfde doen als in het kamertje. Toen greep ze Sebas bij zijn pols en trok hem overeind.
"Eén!" zei ze, zo hard dat het tussen de stenen galmde. "Twee! Links, rechts! Drie! Stappen, Sebas!"
"Hé!" Hij struikelde achter haar aan, met benen die nog bij het graf waren. Ze trok harder.
"Vier! Vijf! Je linker, die andere! Zes!"
Bij zeven zette Sebas zijn voet op de goede tel. Emmie liet zijn pols niet los. Ze trok hem verder het pad op, terwijl haar eigen voeten geen tel stilstonden.
"Acht! Negen!"
Bij negen zakte het gebrom in één keer weg in de grond. Emmie telde door, luid en streng. De mist viel terug op zijn plek, en ver tussen de bomen begon het getik opnieuw.
Pas bij honderdzevenendertig, toen het zijpad uitkwam op een breder pad, liet ze zijn pols los.
Daar zat het katje op hen te wachten, met een vacht die vochtig glansde van de mist. Het keek hen rustig aan. Nooit weg geweest, zei die blik.
Sebas wreef over zijn pols. "Dank je, juf."
"Graag gedaan," zei Emmie. Haar knieën voelden als pudding, maar toen ze verder liep, merkte ze dat ze grijnsde.
Een eindje verder fronste ze. "Papa zei dat het de graven van de muzikanten zijn. Maar het orkest is verdwenen. Hoe kun je nou mensen begraven die verdwenen zijn?"
Sebas dacht erover na. "Dus wie lag er dan in?"
Daar had Emmie geen antwoord op. Ze haalde haar notitieboekje tevoorschijn en schreef het op, terwijl ze bleef trappelen. Haar letters hobbelden als een busje op een zandweg.
Het brede pad kwam uit op het Abdijplein.
Overdag krioelde het hier van de mensen, met gelach en de geur van verse wafels. Nu lag het plein stil en grijs onder de mist. Bij een kraampje stond het luik half open, en op de toonbank lag een ijsschep.
"Ik heb honger," zei Sebas verlangend.
De schep was leeg.
Alle ramen rond het plein waren zwart, behalve bij één gebouw: het Kabinet der Vermisten. Vorig jaar had papa daar elk bordje hardop voorgelezen, ook de bordjes waar niemand iets om gaf. Mama had hem ten slotte aan zijn mouw naar buiten getrokken. Nu brandde er licht achter de kleine ruitjes, geel en warm.
Toen dreunde de torenklok over het plein.
Zonder dat ze het wilde, begon Emmie in haar hoofd te tellen. Eén. Twee. Drie. Vier. Vijf.
Bij vijf sneed er iets doorheen, dun en hoog: een paar gefloten tonen, uit het Kabinet.
Emmie raakte de tel kwijt. De klok dreunde door, en haar voeten vergaten bijna te trappelen. Die tonen kende ze. Ze had ze vandaag al eens gehoord, ergens, van iemand.
"Hetzelfde liedje?" fluisterde ze.
"Welk liedje?" vroeg Sebas.
Achter de ruitjes floot iemand verder, hoger en hoger, alsof hij naar één bepaalde toon toe klom.
Vlak vóór die toon brak het af.