▤Emmie & Sebas en de Danse Macabre

Hoofdstuk 2

Papa danst nooit

Sebas trok zijn hand uit de warme vacht, en meteen glipte het katje ook onder Emmies vingers vandaan. Zonder geluid sprong het van de bank en verdween in het donker, ergens in de richting van het orgel.

Hij keek naar papa. Papa keek nergens naar. Hij zat met zijn ogen half dicht en een slaperige glimlach op zijn gezicht, en hij neuriede zachtjes mee met de muziek. Het weetje dat hij had willen vertellen, kwam maar niet naar buiten.

"Papa is eindelijk stil," zei Sebas.

Emmie lachte niet. Normaal lachte ze altijd om zijn grappen, ook als ze deed alsof het niet zo was. Nu zat ze kaarsrecht naast hem en staarde ze naar papa's schouders, die langzaam heen en weer gingen. Naar links, naar rechts. In de maat.

"Papa danst," zei Sebas. "Papa danst nóóit."

Dat was waar. Op elk feest bleef papa bij de hapjes staan. Als iemand hem de dansvloer op probeerde te trekken, moest hij opeens heel dringend iemand bellen. Nu wiegde hij heen en weer als een kleuter bij een slaapliedje. Naast hem neuriede mama, met haar hoofd tegen zijn schouder en een gezicht alsof ze op een veel gezelliger plek was dan deze.

Sebas boog zich naar papa toe en tikte hem op zijn neus. Papa's neus voelde warm en gewoon, zoals een neus hoort te voelen. Zijn ogen gingen niet open, maar zijn lippen bewogen wel.

"Wist je dat…" mompelde papa. "Honderdacht…"

Daarna wiegde hij gewoon verder.

"Zelfs in zijn slaap," zei Sebas.

"Doe dat nou niet," fluisterde Emmie.

"Ik kijk alleen of het een grap is."

Aan haar gezicht zag hij dat het geen grap was. Dus draaide hij zich om, met zijn knieën op de bank, en keek naar de rij achter hen.

Daar zat de giechelaar, een tiener met een pet achterstevoren en een beugel vol blauwe elastiekjes. Hij giechelde niet meer. Hij glimlachte alleen, met zijn ogen half dichtgeknepen, en zijn hoofd ging langzaam van links naar rechts.

"Let op," zei Sebas. "Ik krijg hem wel wakker."

Eerst trok hij zijn allerscheelste ogen, maar de jongen verblikte of verbloosde niet. Daarna zette hij twee vingers als konijnenoren achter zijn hoofd en wiebelde ermee. Weer niks. Ten slotte klemde hij zijn handen onder zijn oksels en begon aan zijn beroemde kippendans, die op elke verjaardag een daverend succes was.

"Tok, tok, tok..."

De jongen wiegde mee. Hij deed het keurig in de maat en met dezelfde vriendelijke glimlach, zoals je beleefd meedoet met een dansje dat iemand je voordoet. Alleen keken zijn ogen dwars langs Sebas heen.

Halverwege de kippendans liet Sebas zijn armen zakken. Het was niet grappig meer.

Hij draaide zich terug en pakte de mouw van papa's jas. Eerst trok hij er zachtjes aan en daarna steeds harder. Papa's arm ging gewoon mee, warm en slap, en zwaaide daarna terug in de maat, net of er niemand aan had getrokken.

Sebas' keel werd dik. Hij keek naar Emmie, en de woorden floepten eruit voordat hij ze kon tegenhouden.

"Worden ze nog wakker?"

"Natuurlijk," zei Emmie meteen.

Veel te snel. Ze zei het op dezelfde toon als mama, wanneer die beweerde dat een prik bij de dokter echt geen pijn deed. Haar onderlip trilde.


De koorbank deinde zacht en laag, als een boot op kalm water. Hij zakte een stukje en ging dan weer omhoog, zo traag als een schommel die bijna is uitgeschommeld.

"We moeten eraf," zei Sebas.

"Wacht nou even," zei Emmie. "We moeten eerst nadenken."

Maar Sebas zwaaide zijn benen al over de rand. Hij keek hoe de bank zakte, wachtte tot hij op het laagste punt was, en sprong.

En Sebas springt... precies op het goede moment... een perfecte landing! brulde de commentator in zijn hoofd, en het hele stadion ging uit zijn dak.

Zijn knieën knakten door en zijn handen petsten op de koude stenen, maar hij stond. Meteen stak hij zijn armen omhoog naar Emmie, want de bank kwam alweer omlaag.

"Nu!"

Ze keek nog één keer naar papa en mama en liet zich toen over de rand glijden. Hij ving haar half op, ze wankelden allebei, maar niemand viel. Achter hen ging de bank weer omhoog, met twee glimlachende ouders erop die niets hadden gemerkt.

"De uitgang is achterin," zei Emmie. "Daar zijn we binnengekomen."

Ze liepen tussen de deinende banken door, langs rijen mensen die met hun ogen half dicht in de maat wiegden. Een klein meisje had haar handen voor haar ogen geslagen, maar haar voetjes wiebelden toch mee. Een man hield zijn telefoon hoog boven zijn hoofd, voor een foto die nooit klaar zou zijn. Hij zwaaide hem langzaam heen en weer, als een lampje op een concert. Voor iemand die zo zijn best deed op één foto, danste hij opvallend goed.

Emmie bleef staan en tuurde naar het scherm, dat zwak gloeide in het donker. "Sebas, kijk. Het is nul uur."

Op het scherm stond 00:00, in grote witte cijfers.

"Misschien is zijn batterij leeg," zei Sebas.

"Dan zou het scherm zwart zijn." Emmie haalde haar notitieboekje uit haar jaszak en krabbelde iets op, onder het doorgestreepte stukje over de viool. Sebas zag alleen een paar nullen staan. Hij snapte niet wat daar nou zo bijzonder aan was.

De grote deuren waren van donker hout met zware ijzeren banden. Sebas greep de ene klink en Emmie de andere, en ze trokken tot hun armen er pijn van deden. De deur gaf niet mee.

"Opzij," zei Sebas.

Hij nam een aanloopje en gaf een trap tegen de deur, een echte, met de wreef, zoals bij een vrije trap. De dreun galmde door de kapel, maar de deur gaf geen krimp. Het leek wel of hij in de muur was vastgegroeid.

Sebas' voet tintelde. Terwijl hij op één been stond te wachten tot het overging, luisterde hij naar de muziek waarop iedereen wiegde. Ze klonk zacht, als uit een kamer ver weg, en er zat een huppelend stukje in met een paar tikkende tonen. Hij kende dat stukje. Hij kende het eigenlijk een beetje té goed.

"Em," zei hij. "Dit stuk heb ik al drie keer gehoord."

"Wat?"

"De muziek. Het is net een filmpje dat blijft hangen. Steeds hetzelfde stukje."

Op dat moment hield de muziek op. Het was een tel doodstil. Toen dreunde er een klokslag door de dikke muren van de kapel, zo zwaar dat Sebas hem in zijn buik voelde. Daarna nog een, en nog een.

"Daar heb je die klok weer," zei Sebas.

Hij lette niet op hoeveel slagen het waren. Toen de laatste was weggegalmd, begon de muziek opnieuw, helemaal van voren af aan. De banken gingen omhoog, de giechelaar wiegde naar links, en ergens boven hen neuriede papa precies dezelfde tonen als daarnet.

Emmie wreef over haar armen en fronste. Ze gaf geen antwoord.

Ze liepen terug naar voren, tot onder de dirigent. Joseph Charlatan zweefde boven hen voor het orgel, met zijn jas wijd uitgewaaierd. Van dichtbij was zijn gezicht nog strenger dan Sebas had gedacht. Zijn stokje ging omhoog, zwiepte naar links, tikte twee keer in de lucht en ging weer omhoog. Het waren steeds dezelfde maten, keurig en eindeloos, als een opwindpoppetje dat nooit afloopt.

Toen Sebas een stap opzij zette, gingen de ogen van de dirigent mee. Eén tel maar. Eén tel te lang. Daarna keken ze weer strak naar het orkest dat er niet was.

"Em," fluisterde Sebas. "Hij kijkt naar me."

"Wie?"

"Joseph. Zijn ogen gaan mee."

Maar Emmie keek niet omhoog. Ze keek naar het orgel en wees.

"Daar," fluisterde ze.


Op de orgelbank zat het katje, klein en zwart tegen het glanzende hout.

Zodra het zeker wist dat ze keken, sprong het eraf. Zonder haast liep het langs de voet van het orgel, met zijn staart rechtop als een vlaggetje. Het ging naar een smalle deur die bijna verdween in het donker. Daar ging het zitten en keek achterom, naar hen.

"Hij wil dat we meekomen," zei Sebas.

"Nee." Emmie schudde haar hoofd. "Als je verdwaalt, moet je blijven waar je bent. Dat zegt mama altijd."

"Mama hoort je niet eens. Mama neuriet."

"Ja, dáárom moeten we bij ze blijven!" Haar stem schoot uit. "Ik blijf bij papa en mama."

"EMMIEEHIEE!"

Maar ze liep toch, met haar armen strak om zich heen geslagen, terug naar hun deinende bank. Daar begon ze te ijsberen, heen en weer en weer terug. Ze hield haar ogen op papa's schoenen, die zachtjes in de maat bungelden. Sebas bleef staan waar hij stond, in het midden, met het katje achter zich en zijn zus voor zich.


Langs de muren van de kapel stonden kaarsen in hoge ijzeren standaards. Ze waren allemaal uit, maar uit elke pit kringelde nog een dun draadje rook omhoog. Geen enkel draadje bewoog, net of iemand ze zojuist had uitgeblazen en de rook niet wist waarheen.

Ineens bogen alle rookdraadjes tegelijk dezelfde kant op.

Er was geen wind. Er was helemaal niets.

Toen hoorde hij het. Of eigenlijk hoorde hij het niet, hij voelde het. Het was een diep, laag gebrom, zo laag dat het in zijn tanden zoemde en in zijn borst rommelde. Het klonk als het spinnen van een kat, maar dan van een kat zo groot als een huis.

Aan de andere kant van de kapel gleed er een schaduw over de koorbanken.

De schaduw was lang en donker, met een staart die achter hem aan zwiepte. Hij was veel te groot voor iets wat zo stil bewoog. Langzaam en zoekend schoof hij tussen de dansers door, over de deinende banken, over schouders en handen en petten heen. Bij elke rij bleef hij even hangen. Dan gleed hij verder.

De dansers merkten niets. Ze wiegden en glimlachten en neuriëden. De schaduw ging aan hen voorbij zoals je langs een rek jassen loopt waar je niet in hoeft.

Sebas kon niet bewegen.

En de schaduw stopte.

Langzaam draaide de schaduw zich om, in de richting van Sebas. Hoog in het donker, waar helemaal geen ogen hoorden te zitten, gloeiden twee lichtpuntjes op. Het gebrom zwol aan, tot de vloer onder Sebas' schoenen ervan trilde.

En Sebas... zei de commentator in zijn hoofd. Sebas...

Daarna zweeg de commentator.

De eindbaas, dacht Sebas.

Er rukte iets aan zijn arm. Emmie was bij de bank vandaan gestoven en had hem vastgegrepen. Die ruk was genoeg. Zijn benen deden het weer.

"Rennen!" schreeuwde Sebas.

Emmie draaide meteen naar de grote deuren, hoewel ze allebei wisten dat die muurvast zaten.

"Naar de kat!" Hij greep haar hand en trok haar de andere kant op.

Het katje stond al bij de smalle deur. Die stond nu op een kier, en het glipte erdoorheen. Sebas duwde de deur verder open en ze stormden erachteraan.

Daarachter lag een gang van ruwe stenen, zo smal dat Sebas met zijn ellebogen langs de muren schuurde. Het was er pikkedonker en het rook naar natte aarde. Ver voor hen uit glansde iets heel zwak, misschien een raampje, misschien het katje.

Achter hen begon het gebrom weer.

Eerst was het zacht, ergens in de kapel. Daarna werd het luider, en de muziek in de verte begon te haperen en te kraken. Sebas voelde het gebrom in zijn ribben, in de muren waar zijn ellebogen langs schuurden, zelfs in de stenen onder zijn schoenen.

"Niet omkijken," hijgde Emmie.

Hij keek niet om. Hij hoorde hun schoenen kletsen op de stenen en hun adem piepen. Het gebrom kwam dichterbij en dichterbij, tot het overal tegelijk was.

En toen was de schaduw er.

Rakelings gleed hij langs hen heen, over de muur. Hij was zo dichtbij dat Sebas natte vacht rook, als van een hond die te lang in de regen heeft gelopen. Een eindje voor hen bleef de schaduw stilhangen, als een donkere vlek op de stenen. Hij wachtte, zonder een geluid, en leek te luisteren.

Ze renden gewoon door. Ze renden onder hem door, langs hem heen, verder de gang in, en Sebas durfde niet eens adem te halen.

Achter hen gleed de schaduw een zijgang in en verdween.

Ze renden nog een hele tijd door, tot het gebrom helemaal was weggeëbd en Sebas' longen brandden. Pas toen bleven ze staan, tegen de koude muur geleund, allebei naar adem happend.

"Nog één leven," hijgde Sebas.

"Jij had er al nul," zei Emmie.

Hij grijnsde in het donker, en heel even voelde alles iets minder eng.

"Hij zag ons niet," zei Sebas.

"Of hij deed alsof," zei Emmie kortaf.

Sebas wilde iets terugzeggen, maar hij hield zijn mond. Want ergens in de zijgang begon iets te zoemen, zo zacht dat hij het alleen in zijn tanden voelde.

Het kwam terug.