▤Emmie & Sebas en de Danse Macabre

Hoofdstuk 1

Het jaarlijkse uitje

Om half negen stond papa al klaar bij de deur van het vakantiehuisje. Hij had zijn rugzak om en een opengevouwen plattegrond van de Efteling in zijn hand. Die had hij helemaal niet nodig, want hij kende het park beter dan zijn eigen achtertuin. Maar volgens papa hoorde een echte gids nu eenmaal een plattegrond bij zich te hebben.

"Mensen!" riep hij over het grindpad van Het Loonsche Land. "De Fata Morgana wacht niet!"

"Het park gaat pas om tien uur open, Ramon," zei mama.

"Precies, Daniëlle. Daarom moeten we nú weg."

Emmie zat op het muurtje met haar notitieboekje op haar knieën. De kaft had ze zelf beplakt met snippers van een oude plattegrond en een glitterster die het nog net volhield. Op de eerste bladzij stond de lijst met attracties, in dezelfde volgorde als elk jaar. Bovenaan stond Fata Morgana, met een keurig vakje om af te vinken.

Oma Ans kwam als eerste naar buiten, in haar regenjas "voor de zekerheid", al was er geen wolkje aan de lucht. Oom Yorick had een beker koffie die bijna zo groot was als zijn hoofd. Tante Sanne hield haar telefoon al klaar voor de familiefoto, op exact dezelfde plek als elk jaar. Neef Merijn en nicht Pip kibbelden nu al over wie er straks voorin de boot mocht.

Sebas kwam als laatste naar buiten, met losse veters en haar als een vogelnest.

"Danse Macabre," zei hij. Dat was zijn goedemorgen.

"Fata Morgana," zei papa.

"En daarna Danse Macabre."

"Daarna," zei papa, en hij tikte op de plattegrond, "komt eerst nog..."

"Danse Macabre."

Papa's ogen begonnen te glimmen. "Wist je dat daar honderdacht mensen tegelijk in kunnen? In koorbanken! Die bewegen!"

Oom Yorick nam een lange, luidruchtige slurp koffie. "Hoorde iemand iets? Ik hoorde helemaal niks."

"Yorick," zei mama.

Sebas plofte naast Emmie op het muurtje en gaf haar een por. "Eerst Danse Macabre," zei hij. "Dan doe ik álles wat jij wil. Elke attractie. Ook de saaie."

Emmie tikte met haar pen op het lijstje. "We doen het gewoon in de goede volgorde. Danse Macabre staat onderaan, dus die is als laatste."

"EMMIEEHIEE!"

Dat Danse Macabre onderaan stond, was natuurlijk niet voor niks. Twee jaar geleden had Emmie de attractie één keer gedaan. De rit zelf viel achteraf best mee. Maar in de wachtrij, tussen de donkere muren en de verhalen over het verdwenen orkest, had ze de hele tijd papa's jas vastgeklemd. En die muziek had daarna nog een week in haar hoofd rondgespookt.

"Prima," mopperde ze.

Haar buik was het daar niet mee eens, maar haar buik werd niks gevraagd.

De Fata Morgana was zoals altijd. Hun boot gleed door het warme donker, dat naar kruiden rook, en Pip had natuurlijk toch voorin weten te komen. Bij de uitgang zette Emmie tevreden haar eerste vinkje.

Vlak naast het pad stond een kraampje met een puntdak. Daarop zat een zwart katje, met zijn staart om zijn pootjes gekruld, roerloos als een versiering. Zodra Emmie omhoog wees, sprong het zonder haast naar beneden en verdween tussen de benen van de bezoekers.


Op het pleintje achter de Fata Morgana splitste de familie zich, net als elk jaar.

"De achtbaan," zei Merijn.

"De achtbaan," zei Pip. Het was de eerste keer die ochtend dat ze het met elkaar eens waren.

Oom Yorick, tante Sanne en oma Ans gingen mee "om op de jassen te passen". Oma Ans was de enige met een jas.

"Om één uur bij de poffertjes," zei mama. "Allemaal. Geen smoesjes."

"Ik verzin nooit smoesjes," zei oom Yorick, en hij verdween met zijn koffie de andere kant op.

Dus liepen ze met z'n vieren het Huyverwoud in, waar de bomen hoger werden en het lawaai van het park wegzakte. Ze kwamen langs een overwoekerde kruidentuin en daarna langs een oud kerkhof.

"Dat zijn de graven van de muzikanten," fluisterde papa. "Van het verdwenen orkest."

Aan het eind van het pad stond een somber stenen grafhuisje, het mausoleum, met ervoor een bronzen beeld van hun dirigent, Joseph Charlatan.

Op zijn schouder zat een zwart katje. Het leek hetzelfde katje als op het kraampje. Maar nu kon Emmie ook zijn ogen zien: het ene was geel, het andere blauw als ijs.

Tientallen mensen slenterden langs het beeld. Het katje lette op niemand van hen, alleen op Emmie en Sebas. En het knipperde niet.

"Kijk, een kat!" Sebas was al op weg, met zijn hand uitgestoken. "Psst, kom 's."

Emmie greep hem bij zijn capuchon. "Niet doen! Straks heeft hij vlooien."

Sebas zette toch nog één stapje, tot zijn vingers bijna de bronzen schoen raakten. "Hij heeft geen vlooien. Hij glimt helemaal."

"Sebas."

Hij zuchtte diep, maar hij bleef staan.

De haartjes in Emmies nek gingen overeind staan. Naast het mausoleum stond een medewerker van het park, lang en mager, in een uniform dat wel honderd jaar oud leek. De knopen waren dof en de ellebogen bijna doorgesleten. Op zijn borst prijkte een koperen naamkaartje met WOLFAERT erop.

De man had geen oog voor de andere bezoekers, alleen voor Emmie en Sebas. Op dat moment draaide het katje zijn kop naar hem toe.

Wolfaert deinsde een stap achteruit. Het was maar een kleine stap, maar het was wel een stap.

Daarna draaide hij zich naar de bomen en floot zacht een paar tonen van een liedje. Zodra hij merkte dat Emmie luisterde, brak hij midden in een toon af.

"Wat een rare gast," zei Sebas.

"Kom nou," zei Emmie, en ze trok hem mee.

Bij de bocht keek ze nog één keer over haar schouder. Er zat geen katje meer op Josephs schouder.


Danse Macabre zat verstopt in een oude, vervallen abdij, een soort klooster waar vroeger monniken woonden. De wachtrij kronkelde tussen hoge stenen muren door, klam als een kelder. Ergens diep binnenin speelde een orgel.

Papa was in topvorm.

"Vrijdag de dertiende," zei hij. "In 1876. Er was een grote muziekwedstrijd. Het orkest van Joseph Charlatan speelt de Danse Macabre, iedereen klapt, en dan..." Hij spreidde zijn handen. "Weg. Het hele orkest."

"Dat weten we, pap," zei Emmie.

"De muziek is echt, hè. Van Camille Saint-Saëns. Eerst was het een gedicht."

"Pap."

"Het begint met de harp. Twaalf tonen, dat is middernacht! Dan speelt de dood viool, op een viool met een snaar die expres vals is. De duivelsviool! De haan aan het eind is de hobo. En de xylofoon klinkt als rammelende botten, dat is mijn lievelingsstuk. En wist je dat er in die kapel..."

"Páp. Dat zei je vanochtend al."

Mama legde een hand op zijn arm. "Ramon. Ze hebben het nu wel."

Papa knikte en was precies drie seconden stil. Daarna boog hij zich naar de man voor hen in de rij. "Wist u dat de koorbanken..."

Sebas rolde met zijn ogen naar Emmie, en Emmie rolde terug. Dat was hun geheime taal, al was die niet zo geheim, want mama zag het ook en grinnikte.

Op dat moment ontdekte Emmie de spin. Hij liet zich aan een glinsterend draadje zakken, vlak naast haar gezicht, en draaide langzaam rond. Hij zocht een plekje om te landen.

Op Emmie, natuurlijk.

Ze werd stijf als een plank. Haar adem bleef halverwege steken, en ze kon alleen maar kijken.

"Niet bewegen," zei Sebas.

Hij zakte door zijn knieën en hield zijn handen klaar, zoals een keeper die een strafschop verwacht. Een tel lang staarde hij de spin aan. Toen dook hij, klapte zijn handen om het draadje heen en landde op één knie op de stenen.

Rustig liep hij naar het hek, schudde zijn handen uit boven de struiken en veegde ze af aan zijn broek.

"Gered," zei hij. "Level één gehaald. Graag gedaan."

"Ik was niet bang," zei Emmie.

"Weet ik."

"Ik schrok gewoon."

"Weet ik," zei Sebas, en hij grijnsde zo breed dat Emmie hem tegelijk een duw en een knuffel wilde geven.

De rij schuifelde verder onder een stenen boog door, waar de muren nog hoger werden en het licht schaarser.

En toen hoorde Emmie de viool. Het kwam niet uit een speaker, want het klonk vlak achter haar oor, zo dichtbij dat ze bijna de strijkstok voelde. Het waren maar een paar tonen, en één daarvan was scheef, zoals een blokfluit die op school net een beetje piept.

Emmie hield haar adem in. Een snaar die expres vals is, had papa gezegd. De duivelsviool.

Ze draaide zich om. Achter haar stond alleen een mevrouw met een zonneklep, die verveeld op haar telefoon tikte.

"Hoor jij dat?" fluisterde Emmie.

"Wat?" zei Sebas.

"Die viool."

Sebas luisterde en trok een gezicht. "Ik hoor alleen papa."

Papa legde de man voor hen net uit hoe hoog de orgelpijpen waren, en mama bestudeerde de muren. Niemand keek op. En de viool was alweer verdwenen.

Emmie pakte haar notitieboekje en schreef onder haar lijstje: Viool gehoord. Valse snaar. Sebas hoort niks. Zwart op wit zag het er ineens veel te echt uit. Ze streepte het twee keer door en propte het boekje snel terug in haar zak.

Vlak bij het hek zat een nooduitgang, en buikpijn had ze echt een beetje. Haar mond ging al open.

Maar Sebas stond op zijn tenen om over de rij heen te kijken, en zijn ogen straalden net als op zijn verjaardag.

Emmie klapte haar mond weer dicht. Het was maar één attractie. Daarna mocht zij kiezen, en dan werd het eerst een tosti.


De kapel was groter dan ze zich herinnerde. En donkerder.

Met z'n vieren schuifelden ze een koorbank in: mama aan de buitenkant, dan papa, dan Sebas, en als laatste Emmie. Het hout was glad gesleten, en het rook naar kaarsen die net waren uitgeblazen. In de rugleuning voor haar had iemand heel lang geleden een klein hartje gekrast.

Voor hen rees het orgel op, immens, met pijpen die in het donker verdwenen. Ervoor zweefde Joseph Charlatan, met zijn stokje geheven alsof hij op iets wachtte.

Het werd stil. Ergens achter hen giechelde iemand zenuwachtig.

Toen zette de muziek in, en de koorbanken kwamen in beweging.

Ze kantelden naar voren en weer terug, en daarna gingen ze omhoog. Emmie greep de rand van de bank zo stevig vast dat haar knokkels wit werden. Sebas stak zijn armen in de lucht en riep: "Jaaa!"

De dirigent zwaaide met zijn stokje, het orgel bulderde en de banken zakten langzaam terug.

Toen dreunde er iets door de muren van de kapel. Het was een zware, trage klap van metaal, zo diep dat Emmie hem in het hout onder zich voelde.

Eén.

"Hé!" zei papa verrukt. "Dat is nieuw!"

Het was de klok van de oude abdijtoren. Emmie had die toren buiten wel zien staan, maar nog nooit horen slaan. Niet twee jaar geleden, en vanochtend ook niet.

Twee.

Drie.

Op de vierde slag sprong er zonder geluid iets zwarts op hun bank, tussen Emmie en Sebas in. Het was het katje.

Hoe kwam dat beest híér? Er zaten deuren tussen, en hekken, en honderd mensen.

Het katje ging heel rechtop zitten en bekeek eerst Sebas en daarna Emmie, met één geel en één blauw oog.

Bij de vijfde slag aarzelde Sebas geen seconde. Hij legde zijn hand op de zwarte rug en aaide het, en het katje kneep zijn ogen een beetje dicht.

"Zie je wel?" fluisterde Sebas. "Hij is lief."

Emmie hield haar handen op haar knieën, maar haar lippen telden mee, zes en zeven, zonder dat ze het wilde. Ergens achter in haar hoofd klonk papa's stem uit de wachtrij: twaalf tonen, dat is middernacht.

Bij de achtste slag draaide het katje zijn kop naar haar toe.

"Hij kijkt alleen naar ons," fluisterde Emmie, terwijl de negende slag door de banken trilde. "Naar niemand anders."

"Dus hij vindt ons het leukst," fluisterde Sebas terug.

De tiende slag was zo zwaar dat het hout onder haar zoemde. Sebas' hand lag nog steeds op de vacht, maar er gebeurde niks. Het katje spinde niet eens en zat daar alleen maar te wachten.

Bij de elfde slag haalde Emmie diep adem en stak ze haar hand uit, al trilden haar vingers een beetje.

Twaalf.

Twee handen in de zwarte vacht. Die van haar en die van Sebas. De vacht was warm. Warmer dan ze had gedacht.

De klok galmde na. Toen veranderde alles.

De muziek speelde door, maar zachter, alsof iemand een deur had dichtgedaan. De koorbanken deinden mee. Op en neer, heel zacht, als een boot op kalm water.

Papa draaide zich naar Sebas. "Wist je dat de..."

Verder kwam hij niet. Zijn ogen zakten half dicht en er verscheen een glimlach op zijn gezicht, slaperig en tevreden. Toen begon hij te wiegen. Naar links. Naar rechts. Precies in de maat.

Naast hem had mama haar ogen dicht. Ze neuriede zacht met het orgel mee.

Achter hen was het giechelen gestopt. Emmie draaide haar hoofd om, maar haar hand bleef in de vacht liggen. De jongen met de pet achterstevoren wiegde, net als papa, met een glimlach vol blauwe elastiekjes. Overal in de kapel ging het zo. Honderd hoofden wiegden langzaam heen en weer, als gras in de wind.

"Pap?" Sebas trok met zijn vrije hand aan papa's mouw. Zijn andere hand lag nog op de vacht. "PAP!"

Papa glimlachte. Maar niet naar Sebas. Hij glimlachte langs hem heen, naar iets wat er niet was.

Emmie keek op naar het orgel. De dirigent zwaaide met zijn stokje, steeds dezelfde paar maten. Alleen zijn ogen deden niet mee.

Die volgden haar.

Iedereen danste.

Behalve zij.